Achtergrond kloosterontwerp

.

.

ACHTERGROND KLOOSTERONTWERP

In het basisplan van het  nieuwe klooster wonen de broeders in een kring (vierkantjes) rond de bidplaats (cirkel in midden):

 

 

WAT DOE JE ALS ZOMAAR EEN NIEUW KLOOSTER ZOU MOGEN BOUWEN?

Klooster Schiermonnikoog

Ons klooster bestaat nog niet in aardse realiteit – of toch, als gedeelde droom bestaat het al. Ik stel me dit droomklooster voor, ga naar binnen en val stil. Hier is God. Of beter: hier, in dit klooster, wordt een mens tot God gebracht, bewust van God. Zonder dat er iets is dat afleidt. Alleen maar toeleidt. Inderdaad, een droom. Een droom die het waard is om getoetst te worden aan de werkelijkheid. Wie weet wordt de droom werkelijkheid.

Dit klooster bestaat niet uit muren, maar uit mensen. Broeders die deze droom delen en samen zijn. Broeders die met elkaar samenleven vanuit God die hun levende midden vormt. Broeders waarvan sommigen onverhoeds God dicht naderen, terwijl anderen ondanks alles toch van God verwijderd raken. Rondom God ontstaat zo een dansende kring van broeders die God naderen en van God wegraken. Zo vormen ze samen het klooster.

Laten we kijken naar één monnik uit die kring van broeders. Hoe ziet het leven van één zo’n monnik eruit. Hij staat in die kring en is gericht op het midden, op God. Nummer één in zijn leven is de band met God. God? Met de benaming “god” kan men vele kanten op. Gelukkig maar. Maar wij, om Wie staan wij heen?  “Waar twee of drie vergaderd zijn in mijn Naam, daar ben Ik in hun midden”.  Onze aandacht gaat uit naar Christus die zo tot ons spreekt. De Heilige Geest blaast Hij als een ademtocht over ons die rondom Hem staan. Hij staat midden onder ons vanuit zijn eenheid met God de Vader. Zo is onze God in ons midden, zo komt onze God ons tegemoet in Christus. Wij op onze beurt richten ons op Christus. Allereerst in de dagelijkse Eucharistie en in het getijdengebed. Daar, in de liturgie, gebeurt het heel uitdrukkelijk. Minder geprofileerd maar in zekere zin wel belangrijker is die aandacht er dag en nacht, doorheen het gewone leven van eten, werken en het in stilte op de eigen kamer verblijven.

Maar is een dergelijke gerichtheid op Christus wel zo reëel? Zijn ook monniken niet gewoon maar mensen? Het is waar, een mensenhart, ook dat van een monnik, kan niet blijvend bij Hem zijn. In een voortdurende pendelbeweging verliest de monnik zijn aandacht en keert hij ook weer terug naar Christus. “De rechtvaardige valt zevenmaal daags, en staat ook weer op.” Telkens weer begint hij opnieuw zijn leven vanuit Christus. Zo spint hij aan het spinnewiel van zijn hart de gouden draad van verbondenheid met Christus. Iedere broeder heeft op die manier zijn eigen dans naar het midden en ervandaan.

Die gouden draden die ontstaan tussen de monniken en God vormen als het ware de schering, de strakgespannen draden van een weefgetouw. Als inslag worden daardoorheen de andere kleuren geweven. Die andere kleuren zijn vooral de relaties tussen de broeders onderling. De onderlinge relaties tussen de broeders hebben hun eigen zelfstandige waarde, maar goede onderlinge relaties is niet wat de broeders bindt. In Christus zijn de broeders met elkaar verbonden, in een levenslang engagement, of dat nu menselijk gesproken lekker gaat of minder lekker. De volgorde is daarom van groot belang. Eerst zijn we “in Christus”. Dat is onze basis. Pas vandaaruit vormen we samen “één gemeenschap”. Als deze volgorde omgedraaid wordt, en de menselijke relaties het belangrijkst worden, verliest de gemeenschap haar basis. Maar het is duidelijk dat een waarachtig geworteld zijn in Christus zich zal weerspiegelen in een gemeenschap waar liefde voelbaar is. Er ontstaat zo één kleurig weefsel vol gouddraad wat niet uit elkaar te halen is.